23 november 1986

(Toen ik deze boodschappen liet zien aan één van de priesters in het Bangladesh seminarie werd ik volledig afgewezen. Ontmoedigd en verdrietig ging ik terug naar huis.)

vrede zij met je;

Waarom was de priester zo gesloten? Ik dacht dat zij de eersten zouden zijn die de hemelse zaken zouden begrijpen.

Ik, Jahweh ben naast je; onderwijs hen;

(Ik was erg overstuur. …)

wees in vrede! Ik ben altijd bij je; je hoeft niet bevreesd te zijn… Ik ben Jahweh, ik ben het die je leidt; wees niet bedroefd, zij hebben het niet begrepen; laat je niet door mensen ontmoedigen;

1 dood zijn de dagen dat zegeningen werden verwelkomd!2 era O era van weinig geloof! Ik verstik, ik stik als ik zie hoe Mijn zaad, gevuld met dode woorden, verdort! sta op! leef! verheerlijk Mij! era van klein geloof, hebben jullie je harten voorgoed gesloten?

25 november 1986

Ik, God, zie toe; Ik zie hoe zij hun hart voor Mij hebben gesloten; zij kennen Mijn werkwijze niet meer; zij begrijpen Mijn Tekenen niet; Ik heb hun oren gegeven, dochter, maar zij gebruiken ze niet; Ik heb hun ogen gegeven om te zien, maar zij wenden hun blik af en zoeken Mij waar Ik niet ben;3


1 Juist hier leek God alleen te spreken. Hij riep met luide stem, een stem die ontzettend droevig klonk.

2 Dan, nog luider.

3 “God heeft hun geest verdoofd, Hij gaf hun ogen die niet zien en oren die niet horen, tot op de dag van vandaag.” Rom. 11:8 + Is. 29:10