21 november 1986

vrede zij met je; Ik, Jezus, heb je geroepen; wees vredig en schrijf: Ik ben altijd bij jullie; jullie1 die Mij niet aanroepen, Ik zie hoe jullie veranderen; bureaucratie neemt de overhand in Mijn Kerk; luister naar Mijn angstige kreten: jullie openbaren Mij op een andere wijze dan de wijze waarop Ik jullie heb onderwezen; sommigen van jullie beschadigen Mijn Kerk; Ik verstik, Ik stik, om te zien hoe jullie neerhalen wat Ik had opgebouwd; hoe kan Ik al jullie zonden zien en het niet uitschreeuwen? hoe kan Ik tevreden zijn als jullie Mij herinneren aan de Farizeeën? waarom zijn jullie vergeten wat van Mijn lippen kwam? hoe kunnen jullie elkaar niet liefhebben? hoe kunnen jullie Mij eren als jullie selecteren en verwerpen; 2 Ik ben niet alleen voor de rechtvaardigen aan het Kruis genageld; mogen jullie ogen verlicht worden zodat jullie Mijn rijkdom kunnen zien;

22 november 1986

vrede zij met je; Ik, Jahweh, heb je gehoord;

Ik boek geen vooruitgang en ik voel me ontmoedigd. Ik weet niet wat er nu met me gaat gebeuren. Wat wordt er van mij? Waar gaat dit allemaal over? Ik weet het niet meer! Waarom deze dictaten?

laat je niet ontmoedigen; demonen proberen je te misleiden; Ik heb je gevormd; sta niet toe dat ze je ontmoedigen; weet je waarom deze demonen je willen ontmoedigen? ze zijn slecht en vastbesloten je tegen te houden, dochter; ze waren vanaf het begin boos over Mijn Plan; je boekt vooruitgang; Ik heb je hersteld sinds je Mij hebt aanvaard; voel je je gelukkiger nu je Mij hebt herkend?

Ja, ik heb het gevoel dat ik niets meer nodig heb dan U. U vult mijn leven.

kom dan, laten we oefenen; luister nu en wees op je hoede voor stemmen die niet van Mij komen; blijf alert zoals nu; Ik ben Jahweh, de Almachtige God, en Ik ben de Auteur van openbaringen; wat zie je dochter?3 kun je zien wat ik voor je heb in Mijn Zaal?4 een tafel die vol is, vol zegeningen, overvloedig en met alle vruchten uit Mijn tuin; Ik heb hem bereid en gedekt voor Mijn kinderen… dochter, wat zie je nu? zie je Mijn fontein? 5 ja! dit bruisende water is voor jou om te drinken,6 het is levend water;

voel de omgeving van Mijn Huis; ja! het is groot, en er is ruimte voor velen; Ik heb kamers voor jullie allemaal;7 Mijn Huis is Heilig; Mijn Huis is Vrede; kom nu en zie; zeg me hoe je je voelt; voel je je gelukkig?8 ja! er is liefde en vrede; Ik ben hier; je kunt Mijn aanwezigheid voelen; Ik ben Vrede; dochter, nu je de pracht van Mijn Huis hebt gezien, ga en vertel het hen; ga en verkondig Mijn glorieuze Naam aan Mijn kinderen; breng hen deze boodschap van vrede; vertel hen over Mijn tafel die voor hen is gedekt en over de ruimte die Mijn Huis te bieden heeft en dat Ik, Jahweh, op hen wacht; laat hen tot Mij komen zodat zij in Mijn glorie delen; dochter, je hebt het goed gedaan; Ik zal je verder helpen; Ik, God, bemin je; ga in vrede en vervul al je plichten met liefde, beminde;


1 Jezus spreekt tot Zijn leraren.
2 Zijn Leer. De Tradities van de Kerk.
3 “Jahwe Sabaoth richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten.” Jes: 25:6
4 God gaf me een innerlijk visioen. Ik zag een grote zaal met enorme zuilen. Het deed me denken aan de kathedraal van Milaan. Maar in het midden, van de ene kant naar de andere, stond een lange tafel. Op die tafel stond zoveel eten! Verschillende borden, dicht bij elkaar!
5 Zelfs toen Hij aan het spreken was, zag ik aan de rechterkant, niet ver van de tafel, een fontein. Het water dat eruit sprong was breed en kristalhelder; het zag er anders uit dan alle fonteinen die ik ooit heb gezien, omdat het er levendig uitzag. Het water leek zilverachtig en alsof het van binnenuit verlicht werd. Ik keek ernaar vanaf de rechterkant van die zaal en ik stond er vlakbij.
6 “Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij die geen geld hebt, koop koren en eet zonder geld, en drinkt zonder betaling wijn en melk!” (Jes: 55:1) “Laat iedereen die dorst heeft tot Mij komen en drinken!” (Joh. 7:37-38) “Wie dorst heeft zal Ik te drinken geven uit de bron van het water des levens, om niet;” Apoc. 21,6
7 “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd.” Joh. 14:2
8 God stond me toe om weg te gaan van de plek waar ik bij de fontein stond. Ik keek omhoog en zag een veranda rondom Zijn Zaal, en er waren deuren. Ik begreep dat er kamers waren. Toen gingen er op de verdieping waar ik stond twee deuren open. Ik ging één ervan binnen. Ik stak de kamer over, die me naar een andere veranda leidde, en ik keek naar Gods Glorie; bovenal voelde ik Zijn aanwezigheid. De lucht was stil en alles was zo stil. Het was schitterend. Zijn Aanwezigheid was Liefde, Vrede; ik voelde Zijn Pracht en Zijn Majesteit in Zijn Zaal, maar ook daarbuiten. En vreemd genoeg voelde ik me thuis. Ik had niet het gevoel dat ik een bezoeker was, ik had het gevoel dat ik daar thuishoorde. – Toen liep ik die kamer uit, terug de Zaal in. Ik hoorde wat geluid uit de andere kamer, waar de deur openstond. Ik ging naar binnen en zag een kind. Naast het kind zat een vrouw. Ze keek naar het kind, dat kinderlijke geluidjes maakte. Ik voelde dat het zielen waren. Jahweh had hen gekleed voor Zijn Feest. – Ach, wat voelde ik me goed, in het Huis van Jahweh! “Allen vinden hun thuis in U, mijn Heer.” (Ps. 87:7)