15 november 1992
“Werd mijn lijden maar eens gewogen, mijn leed op de weegschaal gelegd, zwaarder zou het blijken dan al het zand aan het strand van de zee; daarom vloeit mijn mond er van over.”1
Ik huiver van ontzetting bij de gedachte dat ik ongelijk zou kunnen hebben!
Zal ik in Uw Tegenwoordigheid, schuldig bevonden worden mijn God?
Toch ben ik in U geworteld,
ik zag U daar staan, zwijgend,
met Uw Hand uitgestrekt als iemand die aalmoezen verwacht,
toen hoorde ik een Stem2 en werd mij een Naam3 gegeven,
en mijn ziel bezweek in de Armen van Mijn Vader.
O God! Hoezeer bemin ik U!
Mijn kind, Mijn kind … Ik, de Heer, hoe bemin Ik jou! Ik bemin je tot schreiens toe … houd op te luisteren naar de boze, die probeert om alle goede dingen die Ik je gegeven heb te vernietigen;
heb vertrouwen in Mijn Liefde, Ik zal je nooit4 in de steek laten … nooit …5 heb dus Mijn Vrede, deze Vrede die Ik je gegeven heb en weet, Mijn kind, dat je nooit een grotere liefde zult ontmoeten dan de Mijne … ach, Mijn kind, klamp je vast aan de zoom van Mijn kleed; Ik ben hier en met je;

