Het christendom draagt altijd een structuur van hoop in zich

“Het wordt steeds dringender dat de authentieke structuur van belofte en vervulling die inherent is aan het christelijk geloof op een begrijpelijke en leefbare manier wordt gepresenteerd”.

Interview met kardinaal Joseph Ratzinger

door Niels Christian Hvidt1

Voor de meeste theologen suggereert het woord ‘profetie’ de profeten van het Oude Testament, Johannes de Doper of de profetische dimensie van het leergezag. Het thema van de profeten komt maar zelden aan bod in de Kerk. En toch staat de geschiedenis van de Kerk vol met profetische figuren, van wie velen pas later heilig werden verklaard, hoewel ze tijdens hun leven het Woord hadden doorgegeven, niet als het hunne maar als het Woord van God.

Er is nooit een systematische reflectie geweest over de eigenheid van de profeten, over wat hen onderscheidt van de vertegenwoordigers van de institutionele Kerk en hoe het woord dat door hen geopenbaard wordt, gerelateerd is aan het Woord dat in Christus geopenbaard is en dat aan ons doorgegeven is door de apostelen. Er is nooit een theologie van de eigenlijke christelijke profetie ontwikkeld. Sterker nog, er zijn maar heel weinig studies over dit probleem 2.

Kardinaal Joseph Ratzinger behandelde het concept van de Openbaring al heel vroeg in zijn activiteiten als theoloog en met een aanzienlijke diepgang. Zijn afstudeerscriptie over Die Geschichtstheologie des hl. Bonaventura (De Geschiedenistheologie van de Heilige Bonaventura) 3 had destijds zo’n vernieuwend effect dat het aanvankelijk werd afgewezen.4 In die tijd werd de Openbaring nog gezien als een verzameling goddelijke proposities. Het werd voornamelijk beschouwd als een kwestie van rationele kennis. Maar in zijn onderzoek ontdekte Ratzinger dat bij Bonaventura de Openbaring verwijst naar de handeling van God in de geschiedenis waarin de waarheid geleidelijk wordt onthuld. De Openbaring is de voortdurende groei van de Kerk in de volheid van de Logos 5. Pas nadat deze tekst aanzienlijk was ingekort en herschreven, werd hij geaccepteerd. Sindsdien houdt Ratzinger vast aan een dynamisch begrip van de Openbaring in het licht waarvan “het Woord (Christus) altijd groter is dan enig ander woord, en geen ander woord het ooit volledig zou kunnen uitdrukken. Inderdaad, woorden hebben deel aan de onuitputtelijke volheid van het Woord. Voor het Woord openen ze zich en daardoor groeien ze in de ontmoeting met elke generatie”. 6.

Elke theologische definitie van Christelijke profetie kan alleen worden gevonden binnen de context van dit dynamische concept van Openbaring. Al in 1993 zei kardinaal Ratzinger dat “diepgaand onderzoek dringend nodig was om vast te stellen wat het betekent om een profeet te zijn”. 7. En daarom hebben we de kardinaal gevraagd om ons te ontmoeten om het thema van de christelijke profetie te bespreken.

In de geschiedenis van de Openbaring in het Oude Testament is het in wezen het woord van de profeet dat de kritische weg baant voor de geschiedenis van Israël en het door het hele land begeleidt. Hoe denkt u over profetie in het leven van de Kerk?

JOSEPH RATZINGER: Laten we eerst even stilstaan bij profetie in het Oude Testament. Om misverstanden te voorkomen, moet duidelijk worden vastgesteld wie de profeet werkelijk is. De profeet is geen waarzegger. Het essentiële element van de profeet is niet het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen; de profeet is iemand die de waarheid vertelt op grond van zijn contact met God; de waarheid voor vandaag die natuurlijk ook licht werpt op de toekomst. Het gaat er niet om de toekomst tot in detail te voorspellen, maar om de waarheid van God die op dit moment aanwezig is weer te geven en ons in de juiste richting te wijzen. Wat Israël betreft heeft het woord van de profeet daarin een bijzondere functie, in die zin dat het geloof in wezen wordt opgevat als hoop op Hem die komen zal. Want een woord van geloof is altijd de verwerkelijking van het geloof, vooral in zijn structuur van hoop. Het leidt de hoop voort en houdt hem levend. Het is ook belangrijk om te onderstrepen dat de profeet niet apocalyptisch is, hoewel hij dat wel lijkt te zijn. In wezen beschrijft hij niet de ultieme werkelijkheid, maar helpt hij ons het geloof als hoop te begrijpen en te beleven. Ook al moet de profeet op een bepaald moment het Woord van God verkondigen alsof het een scherp zwaard is, hij bekritiseert niet noodzakelijkerwijs de georganiseerde eredienst en instellingen. Het is zijn mandaat om het misverstaan en misbruik van het Woord en het instituut tegen te gaan door Gods vitale claim altijd aanwezig te laten zijn; het zou echter verkeerd zijn om het Oude Testament te reconstrueren als een antagonistische dialectiek tussen de profeten en de Wet. Omdat ze allebei van God komen, hebben ze allebei een profetische functie. Ik vind dit een heel belangrijk punt omdat het ons naar het Nieuwe Testament leidt. Aan het einde van Deuteronomium wordt Mozes gepresenteerd als profeet en hij presenteert zichzelf ook als zodanig. Hij vertelt Israël: ‘God zal jullie een profeet sturen zoals ik’. Wat betekent ‘een profeet zoals ik’? Opnieuw volgens Deuteronomium – en ik denk dat dit het beslissende punt is – lag Mozes’ bijzonderheid in het feit dat hij met God sprak als met een vriend8. Ik ben geneigd om het knooppunt of de wortel van het profetische element te zien in dat ‘van aangezicht tot aangezicht’ met God, in het ‘spreken met Hem als met een vriend’. Alleen door deze directe ontmoeting met God kan de profeet spreken in momenten van tijd.

Hoe kan het concept van profetie in verband worden gebracht met Christus? Kan Christus beschreven worden als een profeet?

RATZINGER: De Kerkvaders vatten bovenstaande profetie in Deuteronomium op als een belofte van Christus, iets waar ik het mee eens ben. Mozes zegt: ‘Een profeet zoals ik’. Hij bracht het Woord over aan Israël en maakte er een volk van; met zijn ‘aangezicht tot aangezicht’ met God vervulde hij zijn profetische zending door mensen te leiden naar hun ontmoeting met God. Alle andere profeten staan in dienst van deze profetie en moeten de Wet altijd opnieuw bevrijden van starheid en veranderen in een levensweg. De ware en grotere Mozes is daarom Christus zelf, die werkelijk ‘van aangezicht tot aangezicht’ met God leeft omdat Hij Zijn Zoon is. In deze band tussen Deuteronomium en de gebeurtenis van Christus zien we een heel belangrijk punt voor het begrijpen van de eenheid van de twee Testamenten. Christus is de definitieve en ware Mozes die werkelijk ‘van aangezicht tot aangezicht’ met God leeft als Zoon. Hij leidt ons niet langer alleen maar naar God door het Woord en de voorschriften, maar brengt ons mee door Zijn leven en Zijn passie en door de incarnatie maakt Hij ons tot Lichaam van Christus. Dit betekent dat profetie ook radicaal aanwezig is in het Nieuwe Testament. Als Christus de definitieve profeet is omdat Hij de Zoon is, dan is de christologisch-profetische dimensie ook aanwezig in het Nieuwe Testament vanwege de verbondenheid met de Zoon.

Hoe komt dit volgens jou concreet naar voren in het Nieuwe Testament? Maakt de dood van de laatste apostel geen definitief einde aan verdere profetische beweringen, en sluit deze mogelijkheid dus niet uit?

RATZINGER: Ja, er is een stelling dat de vervulling van de Openbaring het einde van alle profetie betekende. Ik denk dat deze stelling een dubbel misverstand herbergt. Ten eerste schuilt hierin het idee dat de profeet, die in wezen wordt geassocieerd met de dimensie van hoop, geen verdere functie meer heeft om geen andere reden dan dat Christus nu bij ons is, zodat hoop plaats heeft gemaakt voor aanwezigheid. Dit is een vergissing, want Christus kwam in het vlees en stond daarna op ‘in de Heilige Geest’. Deze nieuwe aanwezigheid van Christus in de geschiedenis, in het sacrament, in het Woord, in het leven van de Kerk, in het hart van ieder mens is de uitdrukking en het begin van de definitieve komst van Christus die ‘alle dingen vervult’. 9. Dit betekent dat het christendom altijd neigt naar de Heer die komt, in een innerlijke beweging. Dit gebeurt nu nog steeds, maar op een andere manier omdat Christus er al is. Maar het christendom draagt altijd een structuur van hoop in zich. De Eucharistie is altijd opgevat als ons gaan naar de Heer die komt. Daarom vertegenwoordigt het de hele Kerk. Het concept dat het christendom al een totaal complete aanwezigheid is en dat het geen structuur van hoop in zich draagt, is de eerste fout die verworpen moet worden. Het Nieuwe Testament heeft een andere structuur van hoop in zich, maar het is nog steeds een radicale structuur van hoop. In het nieuwe volk van God is het daarom essentieel om de dienaar van de hoop te zijn. Het tweede misverstand is de reductieve intellectuele opvatting van de Openbaring, die gezien wordt als een schat van overgeleverde stukjes kennis waaraan niets meer kan worden toegevoegd, totaal compleet. De authentieke gebeurtenis van de Openbaring bestaat uit het feit dat we er kennis mee maken ‘van aangezicht tot aangezicht’ met God. De Openbaring is in wezen God die Zichzelf aan ons geeft, die de geschiedenis met ons opbouwt en die ons herenigt door ons allemaal samen te brengen. Het is het ontvouwen van een ontmoeting die ook een inherente communicatieve dimensie en een cognitieve structuur heeft. Dit heeft ook gevolgen voor de kennis van de waarheid van de Openbaring. Op de juiste manier begrepen heeft de Openbaring met Christus haar doel bereikt, want – in die prachtige woorden van de heilige Johannes van het Kruis – als God persoonlijk gesproken heeft, valt er niets meer aan toe te voegen. Er kan niets meer over de Logos gezegd worden. Hij is op een volledige manier onder ons en God heeft ons niets groters te geven, tegen ons te zeggen dan Zichzelf. Maar juist deze volledigheid van Gods geven van Zichzelf – dat wil zeggen, dat Hij, de Logos, aanwezig is in het vlees – betekent ook dat we moeten blijven doordringen in dit Mysterie. Dit brengt ons terug bij de structuur van hoop. De komst van Christus is het begin van een steeds diepere kennis en van een geleidelijke ontdekking van wat in de Logos wordt gegeven. Zo wordt een nieuwe weg ingewijd om de mens in de hele waarheid te leiden, zoals Jezus het zegt in het evangelie van Johannes, wanneer Hij zegt dat de Heilige Geest zal neerdalen 10. Ik geloof dat de pneumatologische christologie van Jezus’ afscheidnemende verhandeling11 is heel belangrijk voor ons thema, aangezien Christus uitlegt dat Zijn komst in het vlees slechts een eerste stap was. De echte komst zal plaatsvinden wanneer Christus niet langer gebonden is aan een plaats of aan een lichaam dat plaatselijk beperkt is, maar wanneer Hij tot ons allen komt in de Geest als de Opgestane, zodat ook het binnentreden in de waarheid steeds meer diepgang krijgt. Het lijkt mij duidelijk dat – gezien het feit dat de tijd van de Kerk, dat wil zeggen, de tijd waarin Christus tot ons komt in de Geest, bepaald wordt door deze zelfde pneumatologische christologie – het profetische element, als element van hoop en oproep, natuurlijk niet mag ontbreken of mogen vervagen.

Hoe is dit element aanwezig? Hoe komt het bijvoorbeeld naar voren in de heilige Paulus?

RATZINGER: Bij Paulus is het bijzonder duidelijk dat zijn apostolaat, dat een universeel apostolaat is gericht op de hele heidense wereld, ook de profetische dimensie in zich draagt. Door zijn ontmoeting met de verrezen Christus ontsluit hij voor ons het mysterie van de verrijzenis en leidt hij ons binnen in de diepgang van het evangelie. Door deze ontmoeting ontwikkelt hij een nieuw begrip van het Woord van Christus, waarbij hij het aspect van de hoop benadrukt en het kritische potentieel ervan naar voren brengt. Apostel zijn is natuurlijk iets onherhaalbaars. De vraag hier is dan ook wat er gebeurt in de tijd van de Kerk wanneer het apostolische tijdperk eindigt. Een passage uit het tweede hoofdstuk van de brief aan de Efeziërs is heel belangrijk bij het beantwoorden van deze vraag. Paulus schrijft dat de Kerk gegrondvest is ‘op de apostelen en profeten’. 12. Ooit werd gedacht dat met de ‘apostelen’ hier de Twaalf werden bedoeld en dat de ‘profeten’ die van het Oude Testament waren. Moderne exegese vertelt ons dat het begrip ‘apostel’ in bredere zin moet worden opgevat en dat het begrip ‘profeet’ moet verwijzen naar de profeten in de Kerk. Het 12e hoofdstuk van de eerste brief aan de Korintiërs leert ons dat de profeten van die dagen een college vormden. Hetzelfde wordt vermeld door de Didaché waarin dit college nog steeds heel duidelijk aanwezig is. Later is het college van de profeten als instituut opgeheven en zeker niet toevallig omdat het Oude Testament ons al laat zien dat de functie van de profeet niet geïnstitutionaliseerd kan worden. De kritiek op de profeten is niet alleen gericht tegen de priesters, maar ook tegen de geïnstitutionaliseerde profeten. Dit komt heel duidelijk naar voren in het boek van de profeet Amos, waar hij zich uitspreekt tegen de profeten van het koninkrijk Israël. De profeten spreken zich vaak uit tegen de ‘profeten als instituut’, omdat de plaats van de profetie bij uitstek de plaats is die God voor Zichzelf reserveert om persoonlijk en telkens opnieuw in te grijpen en het initiatief te nemen. Daarom kan deze ruimte niet bestaan in de vorm van een opnieuw geïnstitutionaliseerd college. Ik denk dat ze moet bestaan in een dubbele vorm, zoals altijd het geval is geweest in de geschiedenis van de Kerk. Wat de eerste vorm betreft, zou de profetische aanspraak altijd erkend moeten worden in het apostolisch college, zoals de apostelen zelf ook profeten waren, op hun eigen manier; dit, zodat het niet alleen het heden is dat benadrukt wordt in de Kerk, maar zodat de Heilige Geest zelf altijd de mogelijkheid heeft om te handelen. Dit kan worden waargenomen in de geschiedenis van de Kerk bij grote figuren als Gregorius de Grote en Augustinus. We zouden nog andere namen kunnen noemen van grote persoonlijkheden die een ambt bekleedden binnen de Kerk en die ook profetische figuren waren. Zo zien we dat de institutionele figuren zelf de deur openhouden voor de Heilige Geest. Alleen zo konden deze mannen hun ambt op profetische wijze vervullen, zoals de Didaché het heel goed verwoordt. De tweede vorm stelt God voor die zich door middel van charismatische gaven het recht voorbehoudt om rechtstreeks in te grijpen in de Kerk om haar wakker te schudden, te waarschuwen, te bevorderen en te heiligen. Ik geloof dat deze profetisch-charismatische geschiedenis de hele tijd van de Kerk doorkruist. Ze is er altijd, vooral op de meest kritieke overgangstijden. Denk bijvoorbeeld aan het ontstaan van het monachisme, dat in het begin gevormd werd door de terugtrekking van Antonius Abt in de woestijn. Het waren de monniken die de christologie redden van het arianisme en nestorianisme. Basilius is nog zo’n figuur, een groot bisschop en tegelijkertijd een ware profeet. Later is het niet moeilijk om een charismatische oorsprong te zien in de beweging van de bedelorden. Dominicus noch Franciscus voorspelden de toekomst, maar ze begrepen wel dat voor de Kerk het moment was aangebroken om zich los te schudden van het feodale systeem, om de universaliteit en de armoede van het evangelie en het apostolische leven een nieuwe waarde te geven. Door dit te doen gaven zij de Kerk haar ware gezicht terug, dat van een Kerk aangevuurd door de Heilige Geest en geleid door Christus zelf. Zij vertegenwoordigen een nieuw begin en brachten zo de hervorming van de kerkelijke hiërarchie teweeg. Andere voorbeelden zijn Catharina van Siena en Birgitta van Zweden, twee grote vrouwelijke figuren. Ik denk dat het heel belangrijk is om te benadrukken hoe, op een bijzonder moeilijk moment voor de Kerk zoals de crisis van Avignon en het schisma dat daarop volgde, vrouwelijke figuren opstonden om de aanspraak van Christus te benadrukken, Christus die leeft en lijdt in zijn Kerk.

Als we naar de geschiedenis van de Kerk kijken, wordt het duidelijk dat de meeste mystieke profeten vrouwen waren. Dit is een interessant gegeven dat de discussie over vrouwelijke priesters zou kunnen ondersteunen. Wat vindt u daarvan?

RATZINGER: Er is een oude patristische traditie die Maria geen priesteres maar profetes noemt. De titel van profetes in de patristische traditie is Maria’s opperste titel. Het is in Maria dat er een precieze definitie is van wat profetie werkelijk is, dat wil zeggen, dit intieme vermogen om te luisteren, waar te nemen, te voelen, dat iemand in staat stelt de troost van de Heilige Geest te voelen, Hem in zichzelf te aanvaarden, Hem vruchtbaar te maken, Hem vruchtbaar in de wereld te brengen. Men zou in zekere zin kunnen zeggen, zonder categorisch te willen zijn, dat het niemand anders is dan de mariale lijn die in de Kerk de profetische dimensie vertegenwoordigt. Maria is door de Kerkvaders altijd gezien als het archetype van de christelijke profeet en het is van haar dat de profetische lijn de geschiedenis van de Kerk binnenkomt. De zusters van de grote heiligen behoren ook allemaal tot deze lijn. De heilige Ambrosius heeft veel te danken aan zijn heilige zuster voor de spirituele weg die hij insloeg. Hetzelfde geldt voor Basilius en Gregorius van Nyssa en voor de heilige Benedictus. Verderop, in de late Middeleeuwen, ontmoeten we enkele grote vrouwelijke figuren en van hen moeten we Francesca Romana noemen. In de 16e eeuw was Teresa van Avila zeer bepalend voor Johannes van het Kruis en, meer in het algemeen, voor de hele ontwikkeling van geloof en devotie. De profetische vrouwelijke lijn was van groot belang in de geschiedenis van de Kerk: Catharina van Siena en Birgitta van Zweden kunnen als voorbeeld dienen. Beiden richtten zich tot een Kerk die een apostolisch college had en waar sacramenten werden toegediend. Dus de essentiële dingen waren er nog steeds, hoewel ze door interne conflicten in verval dreigden te raken. Zij deden de Kerk herleven en in haar herstelden zij de waarde van evangelische eenheid, nederigheid en moed en evangelisatie.

U zei dat de definitiviteit – die niet dezelfde betekenis heeft als conclusie – van de Openbaring in Christus geen definitiviteit is in termen van proposities. Deze bewering is van groot belang voor het thema van de christelijke profetie. Men kan zich terecht afvragen in hoeverre de profeten iets radicaal nieuws te zeggen hebben in de geschiedenis van de Kerk en met betrekking tot de theologie zelf. Het lijkt erop dat de meeste van de laatste grote dogma’s in een bewezen direct verband kunnen worden geplaatst met de openbaringen van de grote profetische heiligen, zoals die van Catherine Labouré wat betreft het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Dit is een nogal weinig onderzocht thema in de theologieboeken …

RATZINGER: Ja, dit thema moet nog echt diepgaand behandeld worden. Het lijkt mij dat Von Balthasar benadrukte hoe achter elke grote theoloog altijd eerst een profeet heeft gestaan. Augustinus is ondenkbaar zonder de ontmoeting met het monachisme, vooral met Antonius Abt. Hetzelfde geldt voor Athanasius. Thomas van Aquino zou ondenkbaar zijn zonder Dominicus, zonder het charisma van de evangelisatie die hem eigen is. Als je zijn geschriften leest, merk je hoe belangrijk dit thema voor hem was. Dit thema speelde een belangrijke rol in zijn dispuut met de seculiere geestelijkheid en met de Universiteit van Parijs, waar hij opgeroepen werd om na te denken over de beweegredenen voor zijn manier van leven. Hij zei dat de ware regel van zijn orde te vinden was in de Heilige Schrift en dat deze gevormd werd door het vierde hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen (“de hele groep was met hart en ziel verenigd”). 13) en door het tiende hoofdstuk van het Evangelie van Matteüs (verkondig het Evangelie zonder iets voor jezelf op te eisen14). Voor Thomas is dit de regel van alle regels. Elke monastieke vorm kan niet anders dan de verwerkelijking zijn van dit oorspronkelijke model dat van nature apostolisch van aard is, maar dat de profetische figuur van Dominicus hem op een nieuwe manier deed herontdekken. Vanuit dit oorspronkelijke model ontwikkelt Thomas zijn theologie als evangelisatie, dat wil zeggen als rondgaan met en voor het evangelie, om te beginnen geworteld in de eenheid ‘hart en ziel’ van de gemeenschap van gelovigen. Hetzelfde kan gezegd worden van Bonaventura en Franciscus van Assisi; hetzelfde geldt voor Hans Urs von Balthasar die ondenkbaar is zonder Adrienne von Speyr. Ik denk dat bewezen kan worden dat voor alle grote theologen een nieuwe theologische uitwerking alleen mogelijk is als het profetische element eerst de weg heeft geplaveid. Zolang men alleen met het verstand werkt, zal er nooit iets nieuws gebeuren. Er kunnen wel steeds vastere systemen worden geconstrueerd, steeds subtielere vragen worden opgeworpen, maar de ware en juiste weg van waaruit weer grote theologie kan ontstaan, wordt niet gegenereerd door de rationele kant van theologisch werk, maar door een charismatische en profetische stuwkracht. En het is in deze zin, geloof ik, dat profetie en theologie hand in hand gaan. Theologie, als theologische wetenschap in strikte zin, is niet profetisch maar kan pas echt levende theologie worden onder de stuwkracht en verlichting van een profetische impuls.

Het Credo zegt dat de Heilige Geest “gesproken heeft door de profeten”. Zijn “de profeten” alleen die van het Oude Testament of verwijst dit ook naar die van het Nieuwe Testament?

RATZINGER: Om die vraag te beantwoorden zou men de geschiedenis van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel grondig moeten bestuderen. Ongetwijfeld wordt hier alleen verwezen naar profeten uit het Oude Testament (zie het gebruik van de voltooid verleden tijd ‘heeft gesproken’) en zo komt de pneumatologische dimensie van de Openbaring sterk naar voren. De Heilige Geest gaat Christus vooraf en bereidt de weg voor Hem voor om vervolgens alle mensen de waarheid te brengen. Er zijn verschillende geloofsbelijdenissen waarin deze dimensie sterk naar voren komt. In de traditie van de Oosterse Kerk worden de profeten beschouwd als een economie van voorbereiding van de kant van de Heilige Geest die al spreekt voordat Christus komt en die in de eerste persoon spreekt door de profeten. Ik ben ervan overtuigd dat het primaire accent wordt gelegd op het feit dat het de Heilige Geest is die de deur opent voor Christus om ex Spiritu Sancto te worden aanvaard. Wat in Maria gebeurde door de werking van de Heilige Geest (ex Spiritu Sancto) is een gebeurtenis die lange tijd zorgvuldig was voorbereid. Maria herneemt in zichzelf de hele profetie als de hele economie van de Geest. De oorsprong ex Spiritu Sancto van de hele profetie is dan in haar geconcentreerd in de ontvangenis van Christus. Volgens mij sluit dit niet het vooruitzicht uit dat Christus altijd opnieuw ex Spiritu Sancto verwekt wordt. De heilige Lucas zelf plaatst het verhaal van Jezus’ kinderjaren op een parallel met het tweede hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen, dat ons spreekt over de geboorte van de Kerk. In de kring van de twaalf apostelen rond Maria ontstaat de conceptio ex Spiritu Sancto en dat gebeurt opnieuw bij de geboorte van de Kerk. Daarom zou men kunnen zeggen dat als de tekst van het Credo ook alleen verwijst naar de oudtestamentische profeten, dit niet betekent dat de economie van de Heilige Geest als afgesloten kan worden beschouwd.

Johannes de Doper wordt vaak aangeduid als de laatste van de profeten. Hoe moet dat volgens u worden geïnterpreteerd?

RATZINGER: Ik denk dat er in veel opzichten talrijke redenen voor zijn. Eén daarvan is wat Jezus zelf zei: ‘Alle profetieën van de profeten en de Wet waren op Johannes gericht’. 15; dan zal het koninkrijk van God komen. Hier verklaart Jezus zelf dat Johannes een beslissend punt is en dat daarna iemand zal komen die ogenschijnlijk minder groot is, maar die in werkelijkheid de grootste is in het koninkrijk van God, namelijk Jezus zelf. 16. Met deze woorden wordt de Doper nog steeds binnen het kader van het Oude Testament gehouden, maar als zodanig vertegenwoordigt hij de sleutel tot de deur van het Nieuwe Verbond. In deze zin is de Doper de laatste van de oudtestamentische profeten. Dit is ook het juiste begrip van Johannes die de laatste voor Christus is, hij die de vlam van de hele profetische beweging draagt en deze aan Christus overdraagt. Hij voltooit alles wat de profeten deden, zodat in Christus hoop geboren zou worden. Hij voltooit dus het werk van de profeten in de oudtestamentische zin. Het is belangrijk om aan te geven dat hij zichzelf niet als waarzegger presenteert, maar eenvoudigweg als iemand die mensen profetisch tot bekering oproept en die daarom de Messiaanse belofte van het Oude Testament vernieuwt en actualiseert. Over de Messias zegt hij: ‘In uw midden staat een u onbekende’. 17. Ook al bevat deze verkondiging een voorspelling, Johannes blijft trouw aan het profetische model dat niet bedoeld is om de toekomst te voorspellen, maar om aan te kondigen dat de tijd is gekomen om je te bekeren. De oproep van Johannes is een uitnodiging aan Israël om tot zichzelf terug te keren en zich te bekeren om op het uur van de verlossing Hem te herkennen die Israël altijd heeft verwacht en die nu hier is. Johannes personifieert daarom de laatste van de profeten uit het verleden en vervolgens de specifieke economie van hoop van het Oude Testament. Wat daarna komt zal een ander type profetie zijn. Daarom kan de Doper de laatste van de oudtestamentische profeten worden genoemd. Dit betekent echter niet dat na hem de profetie is afgelopen. Want dat zou in strijd zijn met wat Paulus leert als hij in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen zegt: ‘Verstik de Geest niet en veracht de gave van de profetie niet’. 18.

In zekere zin is er een verschil tussen de profetie van het Nieuwe Testament en die van het Oude Testament, alleen al vanwege het feit dat Christus de geschiedenis is binnengegaan. Maar als je kijkt naar de essentie van profetie, namelijk het Woord dat van God gehoord is in de Kerk inbrengen, dan lijkt er helemaal geen verschil te zijn …

RATZINGER: Ja, een verschil met in feite een gemeenschappelijke basisstructuur. Het verschil ligt in de manier van betrekking hebben op Christus, als op Hem die komt, op Hem die al gekomen is of die nog moet terugkeren. De reden waarom de tijd van de Kerk op het structurele vlak hetzelfde is als het Oude Testament, of op zijn minst zeer vergelijkbaar en waarin zijn nieuwheid ligt, verdient het om bestudeerd te worden, om verder op in te gaan.

In de theologie zie je vaak de neiging om de verschillen tussen het Oude en Nieuwe Testament te radicaliseren. Deze manier om de verschillen voor te stellen komt vaak kunstmatig over, gebaseerd op abstracte principes in tegenstelling tot feitelijke elementen …

RATZINGER: Het radicaliseren van de verschillen zonder de intieme eenheid van de geschiedenis van God met de mensen te willen zien, is een fout die de kerkvaders niet hebben gemaakt. Zij stelden een driedelig schema voor, “umbra, imago, veritas”, waarin het Nieuwe Testament het imago is. Zo worden het Oude en het Nieuwe Testament niet tegenover elkaar geplaatst als schaduw en werkelijkheid, maar wordt binnen de triade van schaduw, beeld en werkelijkheid de verwachting van de definitieve vervulling levend gehouden en wordt de tijd van het Nieuwe Testament, de tijd van de Kerk gezien als een hoger niveau, maar nog steeds op de weg van de belofte. Dit is een punt dat tot nu toe, zo lijkt het mij, onvoldoende aandacht heeft gekregen. De Kerkvaders benadrukten met kracht de tussenliggende aard van het Nieuwe Testament, waarin nog niet alle beloften zijn vervuld. Christus kwam in het vlees, maar de Kerk wacht nog steeds op zijn volledige Openbaring in heerlijkheid.

Misschien is dit nog een reden waarom de spiritualiteit van veel profetische figuren een eschatologisch stempel draagt …

RATZINGER: Ik denk – zonder iets toe te geven aan de verliefdheid op apocalyptische dingen – dat dit in wezen bij de profetische aard hoort. De profeten zijn degenen die de dimensie van hoop van het christendom naar buiten brengen. Zij zijn de kanalen die toegang geven tot wat nog moet gebeuren en die ons dus in staat stellen voorbij de tijd te gaan om te bereiken wat essentieel en definitief is. Dit eschatologische karakter, deze drang om voorbij de tijd te gaan, maakt zeker deel uit van de profetische spiritualiteit.

Als we de profetische eschatologie in verband brengen met hoop, verandert het beeld volledig. Het is niet langer een boodschap die angst inboezemt, maar een die een horizon opent waarop de hele schepping die door Christus is beloofd, wordt vervuld …

RATZINGER: Dat het christelijk geloof geen angst inboezemt maar deze overwint, is een fundamenteel feit. Dit principe moet de basis vormen van ons getuigenis en van onze spiritualiteit. Maar laten we even teruggaan naar wat we eerder zeiden. Het is van groot belang om aan te geven in welke zin het christendom de vervulling van de belofte is en in welke zin niet. Ik geloof dat er een nauw verband bestaat tussen de huidige geloofscrisis en de ontoereikende verduidelijking van deze vraag. Er zijn hier drie inherente gevaren. Het eerste is dat de beloften van het Oude Testament en de verwachting van het heil van de mensen alleen op een immanente manier worden gezien in de zin van nieuwe en betere structuren, van perfecte effectiviteit. Op deze manier opgevat, blijkt het christendom slechts een nederlaag te zijn. Vanuit dit basisperspectief is geprobeerd om het christendom te vervangen door ideologieën van vooruitgangsgeloof en vervolgens door ideologieën van hoop die slechts variaties zijn van het marxisme. Het tweede gevaar is om het christendom te zien als iets dat alleen geassocieerd wordt met het hiernamaals, iets dat puur spiritueel en individualistisch is en zo de totaliteit van de menselijke werkelijkheid ontkent. Het derde gevaar, vooral dreigend in tijden van crisis en historische keerpunten, is dat men zijn toevlucht neemt tot verliefdheden op apocalyptische zaken. Tegenover dit alles wordt het steeds dringender om de authentieke structuur van belofte en vervulling die inherent is aan het christelijk geloof op een begrijpelijke en leefbare manier te presenteren.

Er is vaak een grote spanning tussen de zuiver contemplatieve en apofatische mystiek en de profetische mystiek van woorden. Karl Rahner 19 wees op deze spanning tussen de twee soorten mystiek. Sommigen beweren dat de contemplatieve en apofatische mystiek de meest verheven van de twee is, puurder en spiritueler. Sommige passages in Johannes van het Kruis worden in dat licht uitgelegd. Anderen zijn van mening dat apofatische mystiek uiteindelijk niets met het christendom te maken heeft, omdat het christelijk geloof in essentie de religie van het Woord is. 20

RATZINGER: Ja, ik zou zeggen dat de authentiek christelijke mystiek ook een missionaire dimensie heeft. Ze streeft er niet alleen naar om het individu te verheffen, maar geeft hem een taak om hem in de Geest in contact te brengen met het Woord, met Christus, met de Logos. Dit punt wordt sterk benadrukt door Thomas van Aquino. Vóór Thomas zei men: eerst monnik en dan mysticus, of eerst priester en dan theoloog. Thomas accepteert dit niet omdat het mystieke mandaat in missie vervuld wordt. En missie is niet de onderste sport van het leven, zoals Aristoteles daarentegen dacht. Hij geloofde dat intellectuele contemplatie de hoogste sport van het leven was, die daarom geen verdere missie kent. Dit is geen christelijk concept, zegt Thomas, omdat de meest volmaakte vorm van leven de gemengde vorm is, dat wil zeggen mystiek en zending in dienst van het evangelie. Teresa van Avila heeft dit concept heel duidelijk uiteengezet. Zij plaatst mystiek in relatie tot christologie en geeft het zo een missionaire structurering. Daarmee wil ik niet uitsluiten dat de Heer christelijke mystici kan inspireren die geen soort zending hebben binnen de Kerk; maar ik zou willen specificeren dat de christologie, als de basis en maatstaf van alle christelijke mystiek (Christus en de Heilige Geest zijn onafscheidelijk), wijst op een andere structuur. Jezus Christus’ ‘aangezicht tot aangezicht’ met de Vader omvat zijn ‘zijn omwille van anderen’, het bevat in zich ‘zijn voor iedereen’. Als mystiek in wezen een in gemeenschap treden met Christus is, dan is dit ‘zijn voor’ een connotatie van binnenuit.

Veel christelijke profeten, zoals Catharina van Siena, Birgitta van Zweden en Faustina Kowalska, schrijven hun profetische redevoeringen toe aan openbaringen van Christus. Deze openbaringen worden in de theologie vaak gedefinieerd als privé-openbaringen. Maar dit concept lijkt erg reductief omdat de profetie altijd voor de hele Kerk is en nooit puur privé …

RATZINGER: In de theologie betekent het begrip ‘privé’ niet dat het alleen betrekking heeft op de betrokken persoon en op niemand anders. Het is eerder een uitdrukking van de mate van belangrijkheid, zoals bijvoorbeeld het geval is met de ‘privémis’. Dat wil zeggen dat de ‘openbaringen’ van christelijke mystici en profeten nooit hetzelfde niveau kunnen bereiken als de Bijbelse Openbaring; ze kunnen er alleen toe leiden en ze moeten zich eraan meten. Maar dat betekent niet dat dit soort openbaringen niet belangrijk zijn voor de Kerk in haar geheel. Lourdes en Fatima zijn het bewijs dat ze belangrijk zijn. Uiteindelijk zijn ze slechts een beroep op de Bijbelse Openbaring en juist daarom zijn ze belangrijk.

De geschiedenis van de Kerk bewijst dat niets van dit alles gebeurt zonder schade aan de ene of de andere kant. Hoe zou u dit dilemma uitleggen?

RATZINGER: Dat is altijd zo geweest. De profetische impact kan niet tot stand komen zonder wederzijds lijden. De profeet is op een specifieke manier geroepen tot de navolging van het lijden: bereid zijn om te lijden en het kruis met Christus te delen is zijn echte maatstaf. Hij probeert niet Zichzelf op te leggen. Zijn boodschap wordt geverifieerd en vruchtbaar gemaakt in het kruis.

Het is frustrerend om te zien dat de meeste profetische figuren van de Kerk tijdens hun leven werden afgewezen. Een positie van kritiek of afwijzing lijkt bijna onvermijdelijk. Dit is het geval bij de meerderheid van de christelijke profeten en profetessen …

RATZINGER: Ja, dat is waar. Ignatius van Loyola werd gevangen genomen en hetzelfde gebeurde met Johannes van het Kruis. Brigid van Zweden stond op het punt veroordeeld te worden op het Concilie van Bazel. Maar traditiegetrouw is de Congregatie voor de Geloofsleer zeer terughoudend in gevallen van mystieke claims. Deze houding is immers meer dan gerechtvaardigd, aangezien er veel valse mystiek en veel pathologische gevallen zijn. Een zeer kritische houding is daarom noodzakelijk om elk risico van sensatiezucht, fantaseren en bijgeloof uit te sluiten. Het mystieke manifesteert zich in het lijden in gehoorzaamheid en in het vermogen tot volharding. Zo blijft deze stem hangen naarmate de tijd verstrijkt. De Kerk moet oppassen dat ze de profeten niet ‘doodt’. 21 als het een berisping wil vermijden.

Deze laatste vraag kan een beetje gênant zijn. Het gaat over een hedendaagse profetische figuur – de Grieks-orthodoxe Vassula Rydén. Zij wordt door veel gelovigen en door veel theologen, priesters en bisschoppen van de Katholieke Kerk beschouwd als een boodschapper van Christus. Haar boodschappen, die sinds 1991 in 34 talen zijn vertaald, zijn over de hele wereld bekend. De Congregatie voor de Geloofsleer heeft zich echter negatief over de kwestie uitgesproken. De mededeling uit 1995 over zowel de onduidelijke punten als de positieve aspecten van haar geschriften werd door sommige commentatoren geïnterpreteerd als een veroordeling. Is dat zo?

RATZINGER: U hebt een zeer problematische kwestie aangesneden. Nee, de Kennisgeving – de Notificatie – is een waarschuwing, geen veroordeling. Strikt procedureel gezien mag niemand veroordeeld worden zonder proces en zonder eerst de gelegenheid te hebben gekregen zijn mening te geven. Wat we zeggen is dat er veel dingen zijn die niet duidelijk zijn. Er zijn een aantal apocalytische elementen en kerkelijke aspecten waarover gediscussieerd kan worden en die niet duidelijk zijn. Haar geschriften bevatten veel goede dingen, maar het kaf en het koren lopen door elkaar. Daarom hebben we de katholieke gelovigen uitgenodigd om het allemaal met een voorzichtig oog te bekijken en het te meten met de maatstaf van het constante geloof van de Kerk.

Wordt de procedure ter verduidelijking van de vraag voortgezet?

RATZINGER: Ja, en tijdens het verhelderingsproces moeten de gelovigen voorzichtig zijn en een kritische houding aannemen. Er is ongetwijfeld een evolutie in de geschriften die nog niet lijkt te zijn afgesloten. We moeten onthouden dat het zich kunnen opwerpen als woord en beeld van innerlijk contact met God, zelfs in het geval van authentieke mystiek, altijd afhangt van de mogelijkheden van de menselijke ziel en haar beperkingen. Onbegrensd vertrouwen moeten we alleen stellen in het echte Woord van de Openbaring dat we tegenkomen in het geloof dat door de Kerk is doorgegeven.

Opmerkingen


1 Niels Christian Hvidt houdt zich sinds 1994 bezig met het concept van christelijke profetie. Profetie en Openbaring is de titel van zijn theologische proefschrift dat nog gepubliceerd moet worden, maar dat in januari 1997 werd aangeboden aan de theologische faculteit van de Universiteit van Kopenhagen en werd bekroond met de gouden medaille van de universiteit. Een samenvatting van het proefschrift werd gepubliceerd in Studia theologica. Journal of Scandinavian Theology 52 (1998), pagina’s 147-161. Het proefschrift was getiteld Prophecy and Revelation. Een theologisch overzicht van het probleem van de christelijke profetie. Hvidt dankt Dr. Yvonne Maria Werner van het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit van Lund voor haar hulp bij de voorbereiding van dit interview.
2 “Maar geen enkele orthodoxe theologie heeft zich ooit met één van hen beziggehouden…22 (K. Rahner, Visionen und Prophezeiungen, Freiburg 1958, blz. 21-22): of zij echte profeten blijven in de post-apostolische Kerk, hoe hun geest herkend en onderscheiden kan worden, welke functie zij moeten vervullen in de Kerk, hoe zij zich verhouden tot de kerkelijke hiërarchie of welke betekenis hun zending heeft voor de geschiedenis van de Kerk in haar innerlijke en uiterlijke leven.
3 J. Ratzinger, Die Geschichtstheologie des hl. Bonaventura, München 1959.
4 vgl. J. Ratzinger, La mia vita, Ricordi (1927-1977), Cinisello Balsamo 1997, pagina 70 en volgende.
5 Vgl. ibidem, pagina 68 e.v. Vgl. J. Ratzinger, “Auf Christus schauen. Vorüberlegungen zum Sinn des Jubiläumsjahres 2000”, in Deutsche Tagespost, nr. 31, 11 maart 1997, pagina 5.
6 ibidem.
7 J. Ratzinger, Wesen und Auftrag der Theologie, Freiburg 1993, pagina 106.
8 Vgl. Deuteronomium 34,10.
9 Efeziërs 1, 23; vgl. Efeziërs 4, 10.
10 Vgl. Johannes 16, 13.
11 Vgl. Johannes 16, 5 en volgende.
12 Efeziërs 2, 20; vgl. Efeziërs 4, 11.
13 Handelingen 4, 32.
14 Vgl. Matteüs 10, 8-10.
15 Matteüs 11, 13.
16 vgl. Matteüs 11, 11-15.
17 Johannes 1, 26.
18 Tessalonicenzen 5, 19-20.
19… inderdaad, men zou misschien met enige overdrijving kunnen zeggen dat de geschiedenis van de mystieke theologie de geschiedenis is van de ontwaarding van het profetische ten gunste van een herwaardering van de zuivere ‘geïnfundeerde contemplatie’ ” (K. Rahner, op. cit., blz. 21).
20 “Men zou kunnen zeggen dat, in zekere zin, de dubbele eenheid van God en van de ’tekenen’ van het visionaire, eenheid die van de tekenen een historisch karakter krijgt, meer overeenkomt met de fundamentele natuur van het christendom, gezien als zuivere ‘mystieke eenheid’, gespeend van beelden en waartegenover het oude probleem altijd weer opduikt, als deze vroomheid van de zuivere transcendentie van de Geest echt christelijk is” (ibidem, blz. 15).
21 vgl. Lucas 13, 34 en Matteüs 23, 37-39.
22 de profeten