27 november 1986
(Twijfels! twijfels en nog eens twijfels!)
Mijn hart beeft en mijn adem stokt, angst bekruipt me; ik ben de meest ellendige als ik hierin ongelijk heb. Verschrikking vult mijn hart; ach, en de duivel lacht om mijn angst… mijn God! mijn God, geef me een teken! Ben ik de prooi van de duivel?
vrede zij met je! Ik ben Jahweh en Ik heers over de hemelen en de aarde; Ik ben de Allerhoogste; leun op Mij want Ik bemin je; hier, 1 houd het kruisbeeld in je hand;2 zie,3 Ik heb je vingers in elkaar geklemd; Ik bemin je; Ik zal je hand nu loslaten; voel je door Mij bemind, dochter, en vertrouw Mij; ga in vrede;
(“Opnieuw sprak Jahweh tot Mozes: ‘Steek je hand in je boezem.’ Hij stak zijn hand in zijn boezem, en toen hij die eruit haalde, was zijn hand bedekt met melaatsheid, wit als sneeuw. ‘Steek je hand weer in je boezem.’ Hij stak zijn hand weer in zijn boezem en toen hij die eruit haalde, was zijn hand genezen, net als de rest van zijn lichaam.”) (Exodus 4:7)
28 november 1986
(Ik voel me totaal ontmoedigd; ik heb hier niet om gevraagd. Waarom moet het zo zijn? Wat heb ik gedaan?)
dochter? laat je nooit ontmoedigen door mensen;
Niemand staat aan mijn kant, niemand gelooft me, ben ik gek geworden? Waarom nemen ze het mij kwalijk dat U tot mij spreekt?
kijk Mij aan;4 wees blij! verheug je, want Ik ben naast je; wees gelukkig, want Ik ben dicht bij je; Ik, Jezus Christus, zal altijd bij je zijn; verheug je! Ik heb je deze gave gegeven om Mij te bereiken en op deze wijze met Mij te spreken en Mij te geloven, dochter, wanneer Ik je zeg dat zo weinigen jouw gave bezitten, hoewel er ontelbaar veel zijn die jouw gave zouden willen hebben; dus verheug je! wees blij;
